Vocabulario
9 palabras · página 1 de 1
halenA1
haalde · hebben gehaald
ir a buscar
Ik haal even brood.
hatenA1
haatte · hebben gehaat
odiar
Hij haat vergaderingen.
hebbenA1irregular
had · hadden · hebben gehad
tener
Wij hebben twee kinderen.
(auxiliar del pretérito perfecto: haber)
Ik heb de brief gisteren al geschreven.
helpenA1irregular
hielp · hielpen · hebben geholpen
ayudar
Kun je me even helpen?
hetenA1irregular
heette · heetten · hebben geheten
llamarse
Hoe heet jij?
hopenA1
hoopte · hebben gehoopt
esperar (desear)
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
hoorde · hebben gehoord
oír
Ik hoor je niet goed.
pertenecer a, formar parte de
Deze oefening hoort bij hoofdstuk drie.
houdenA1irregular
hield · hielden · hebben gehouden
sostener; gustar (van)
Ik houd van koffie.
huilenA1
huilde · hebben gehuild
llorar
De baby huilt de hele nacht.

