Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

4 palabras · página 1 de 1

  • hebbenA1irregular

    had · hadden · hebben gehad

    tener

    Wij hebben twee kinderen.


    (auxiliar del pretérito perfecto: haber)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.

  • helpenA1irregular

    hielp · hielpen · hebben geholpen

    ayudar

    Kun je me even helpen?

  • hetenA1irregular

    heette · heetten · hebben geheten

    llamarse

    Hoe heet jij?

  • houdenA1irregular

    hield · hielden · hebben gehouden

    sostener; gustar (van)

    Ik houd van koffie.