Vocabulario
82 palabras · página 3 de 4
de honingA1
miel
Doe wat honing in je thee.
het hoofdA1
cabeza
Mijn hoofd doet pijn.
jefe, responsable
Het hoofd van de afdeling neemt het besluit.
het hoofdgerechtA2
plato principal
Het hoofdgerecht was vis met groente.
de hoofdpijnA2
dolor de cabeza
Ik heb de hele dag hoofdpijn.
de hoofdstadA2
capital (ciudad)
Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.
hoogA1
alto
Dat gebouw is heel hoog.
hopelijkA2
ojalá, con suerte
Hopelijk is het morgen mooi weer voor het feest.
hopenA1
hoopte · hebben gehoopt
esperar (desear)
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
hoorde · hebben gehoord
oír
Ik hoor je niet goed.
pertenecer a, formar parte de
Deze oefening hoort bij hoofdstuk drie.
het horlogeA1
reloj de pulsera
Mijn horloge loopt achter.
het hotelA1
hotel
We slapen twee nachten in een hotel in Brugge.
houdbaarA2
que se conserva
De melk is nog twee dagen houdbaar.
de houdbaarheidsdatumA2
fecha de caducidad
Kijk even naar de houdbaarheidsdatum.
houdenA1irregular
hield · hielden · hebben gehouden
sostener; gustar (van)
Ik houd van koffie.
het houtA2
madera
De tafel in onze keuken is van hout.
de huidA1
piel
Bescherm je huid tegen de zon.
huilenA1
huilde · hebben gehuild
llorar
De baby huilt de hele nacht.
het huisA1
casa
Ik woon in een klein huis.
de huisapotheekA2
botiquín doméstico
Zorg voor een goede huisapotheek.
de huisartsA2
médico de cabecera
Je gaat eerst naar de huisarts.
de huisartsenpostA2
servicio de urgencias de atención primaria
's Avonds belt u de huisartsenpost.
de huisbaasA2
casero
Ik heb de huisbaas gebeld over de kraan.
de huisgenootA1
compañero de piso
Mijn huisgenoot kookt vanavond.
de huisregelsA2
normas de la casa
Lees de huisregels van het gebouw.
de hulpA1
ayuda
Bedankt voor je hulp.

