Vocabulario
3 palabras · página 1 de 1
gaanA1irregular
ging · gingen · zijn gegaan
ir
Ik ga morgen naar Amsterdam.
genietenA1irregular
genoot · genoten · hebben genoten
disfrutar
Ik geniet van het rustige weekend.
gevenA1irregular
gaf · gaven · hebben gegeven
dar
Geef mij het zout, alsjeblieft.

