Vocabulario
44 palabras · página 1 de 2
het e-mailberichtB1
mensaje de correo
Ik stuurde een e-mailbericht naar de gemeente.
de echtgenootA1
esposo
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
de economieA2
economía
De economie groeide licht dit kwartaal.
de eerstelijnszorgB1
atención primaria
De huisarts hoort bij de eerstelijnszorg.
de eetgewoonteA2
hábito alimentario
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
de eetlustA2
apetito
Door de koorts heb ik geen eetlust.
de eeuwB1
siglo
Dit kasteel is gebouwd in de zestiende eeuw.
het effectB1
efecto
Het medicijn had snel effect op mijn hoofdpijn.
de EHBOA2
primeros auxilios
Zij volgde een cursus EHBO.
het eiA1
huevo
Ik eet 's ochtends een ei.
de eigenaarB1
propietario, dueño
De eigenaar van het huis wil de huur verhogen.
het eilandA1
isla
Het eiland is per veerboot bereikbaar.
het eindeA2
final, fin
Aan het einde van de straat is een bakker.
de eindtoetsA2
prueba final
De eindtoets is in juni.
eisenA2
eiste · hebben geëist
exigir
De bond eist een hoger loon.
de eisen
requisitos, exigencias (plural de eis)
De school stelt hoge eisen aan het schrijven.
de elektriciteitA2
electricidad
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
de elleboogA1
codo
Ik heb mijn elleboog gestoten.
de emmerA1
cubo
Vul de emmer met water.
de energieA1
energía
De prijzen voor energie zijn gestegen.
de energiekostenB1
gastos de energía
De energiekosten zijn een groot deel van mijn budget.
het energielabelA2
certificado energético
Dit huis heeft energielabel C.
de energierekeningB1
factura de la luz
Mijn energierekening is verdubbeld.
het EngelsA1
inglés (idioma)
Mijn kinderen spreken thuis Nederlands en op school Engels.
de enkelA1
tobillo
Ik heb mijn enkel verzwikt.
único, alguno; solo
Er is geen enkele reden om je zorgen te maken.
de entreekaartB1
entrada
De entreekaart kost twaalf euro.

