Vocabulario
10 palabras · página 1 de 1
de dagA1
día
Elke dag ga ik naar mijn werk.
hola; adiós
Dag mevrouw, kan ik u helpen?
danA1
entonces, luego
Eerst eten, dan afwassen.
dankjewelA1
gracias
Dankjewel voor je hulp.
datA1
que (conjunción)
Ik denk dat de trein vandaag later komt.
derdeA1
tercero
Hij werd derde in de wedstrijd.
dertigA1
treinta
Ik ben dertig jaar oud.
doeiA1
chao
Doei, tot morgen!
doorA1
por, a través de
We liepen door het park.
drieA1
tres
De les duurt drie uur.
duizendA1
mil
Er kwamen duizend bezoekers.

