Vocabulario
156 palabras · página 5 de 7
blijvenA1irregular
bleef · bleven · zijn gebleven
quedarse
Blijf je vanavond eten?
blikA2
mirada
Aan zijn blik zag ik dat hij loog.
het blikjeA2
lata
In de koelkast staat nog een blikje.
het bloedA2
sangre
Ze hebben mijn bloed onderzocht.
de bloeddrukA2
tensión arterial
De dokter meet eerst uw bloeddruk.
de bloemkoolA1
coliflor
Vanavond eten we bloemkool.
het boekA1
libro
Ik lees elke avond een boek.
de boerderijA2
granja
Mijn oom woont op een boerderij met koeien en kippen.
de bonA2
recibo
Bewaar de bon voor de garantie.
multa
Hij kreeg een bon omdat hij te hard reed.
de boodschapA2
mensaje (contenido)
De boodschap van de campagne is duidelijk.
de boodschappenA2
compras (de comida)
Ik doe zaterdag boodschappen.
het boodschappenlijstjeA2
lista de la compra
Ik maak altijd een boodschappenlijstje.
de boodschappentasA2
bolsa de la compra
Neem je eigen boodschappentas mee.
de boomA2
árbol
Voor het huis staat een grote boom.
de boonA1
judía
Er staan bonen op het menu.
boosA2
enfadado
Hij was boos op zijn collega.
het bordA1
plato
Zet de borden op tafel.
cartel, señal
Op het bord staat dat je hier niet mag parkeren.
de borgA2
fianza
De borg krijg je later terug.
de borstA1
pecho
Hij voelt pijn op zijn borst.
het bosA2
bosque
We wandelen graag in het bos.
de bos
ramo, manojo
Hij kwam thuis met een bos bloemen voor zijn moeder.
de boterA1
mantequilla
Doe wat boter op je brood.
de boterhamA1
rebanada de pan
Ik neem twee boterhammen mee.
bouwenA2
bouwde · hebben gebouwd
construir
Hier gaan ze honderd nieuwe woningen bouwen.
bovenA1
arriba
De slaapkamers zijn boven.
bovendienA2
además
Het is duur en bovendien ver weg.

