Vocabulario
7 palabras · página 1 de 1
afA2
terminado, acabado
Mijn huiswerk voor morgen is eindelijk af.
alA1
ya
Ben je er nu al?
alleenA1
solo; solamente
Ik woon alleen.
altijdA1
siempre
Hij komt altijd te laat.
alweerA2
otra vez
Het regent alweer, de hele week al.
andersA2
diferente; si no
Hij ziet er nu heel anders uit dan vroeger.
apartA1
por separado
We betalen apart.

