Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

634 words · page 8 of 26

  • gebruikenA1

    gebruikte · hebben gebruikt

    to use

    Mag ik je telefoon even gebruiken?

  • zich gedragenB1reflexiveirregular

    gedroeg · gedroegen · hebben gedragen

    to behave

    De kinderen gedroegen zich keurig op het feest.

  • geldenA2irregular

    gold · golden · hebben gegolden

    to apply, to be valid

    Deze regel geldt voor iedereen.

  • gelovenA1

    geloofde · hebben geloofd

    to believe

    Ik geloof je wel.

  • generaliserenB2

    generaliseerde · hebben gegeneraliseerd

    to generalise

    Je kunt dat niet zomaar generaliseren.

  • genezenA2irregular

    genas · genazen · hebben/zijn genezen

    to heal, to cure

    De wond is goed genezen.

  • genietenA1irregular

    genoot · genoten · hebben genoten

    to enjoy

    Ik geniet van het rustige weekend.

  • geruststellenB2separable

    stelde gerust · hebben gerustgesteld

    to reassure

    De arts stelde de ouders gerust.

  • getuigenB2

    getuigde · hebben getuigd

    to testify

    Twee buren getuigden in de rechtszaak tegen hem.

  • gevenA1irregular

    gaf · gaven · hebben gegeven

    to give

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • gooienA2

    gooide · hebben gegooid

    to throw

    Gooi het papier in de blauwe container.

  • grijpenB2irregular

    greep · grepen · hebben gegrepen

    to grab, to seize

    Hij greep snel zijn tas en rende naar de bus.

  • groeienA2

    groeide · zijn gegroeid

    to grow

    De tomaten groeien goed in de warme kas.

  • groetenA2

    groette · hebben gegroet

    to greet

    Groet je buren als je ze tegenkomt.

  • zich haastenB1reflexive

    haastte · hebben gehaast

    to hurry

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.

  • halenA1

    haalde · hebben gehaald

    to fetch, to get

    Ik haal even brood.

  • hangenA2irregular

    hing · hingen · hebben gehangen

    to hang

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hardlopenB1separableirregular

    liep hard · liepen hard · hebben hardgelopen

    to run, jogging

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • hatenA1

    haatte · hebben gehaat

    to hate

    Hij haat vergaderingen.

  • hebbenA1irregular

    had · hadden · hebben gehad

    to have

    Wij hebben twee kinderen.


    (perfect auxiliary: have/has)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.

  • helpenA1irregular

    hielp · hielpen · hebben geholpen

    to help

    Kun je me even helpen?

  • herhalenB1

    herhaalde · hebben herhaald

    to repeat

    Kunt u dat herhalen, alstublieft?

  • zich herinnerenA2reflexive

    herinnerde · hebben herinnerd

    to remember

    Ik herinner me haar naam niet meer.

  • herkennenA2

    herkende · hebben herkend

    to recognise

    Ik herkende hem meteen.

  • herstellenB1

    herstelde · zijn hersteld

    to recover

    Hij is goed hersteld na de operatie.