Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

634 words · page 7 of 26

  • dromenA1

    droomde · hebben gedroomd

    to dream

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • duikenB1irregular

    dook · doken · hebben/zijn gedoken

    to dive

    De jongens duiken van de brug in het water.

  • durenA2

    duurde · hebben geduurd

    to last, to take (time)

    Hoe lang duurt de les?

  • durvenA1

    durfde · hebben gedurfd

    to dare

    Ik durf het niet te vragen.

  • dweilenA2

    dweilde · hebben gedweild

    to mop

    De vloer moet nog gedweild worden.

  • dwingenB1irregular

    dwong · dwongen · hebben gedwongen

    to force

    Niemand kan je dwingen om te stoppen met je studie.

  • eindigenB1

    eindigde · zijn geëindigd

    to end

    De film eindigt met een mooie bruiloft.

  • eisenA2

    eiste · hebben geëist

    to demand

    De bond eist een hoger loon.


    de eisen

    requirements, demands (plural of eis)

    De school stelt hoge eisen aan het schrijven.

  • zich ergerenB2reflexive

    ergerde · hebben geërgerd

    to annoy, to be annoyed

    Zij ergert zich aan het lawaai.

  • erkennenA2

    erkende · hebben erkend

    to acknowledge

    De minister erkende de fout.

  • eruitzienA2separableirregular

    zag eruit · zagen eruit · hebben eruitgezien

    to look (like), to appear

    Weet jij hoe de nieuwe buurman eruitziet?

  • ervarenA2irregular

    ervoer · ervoeren · hebben ervaren

    to experience

    Veel mensen ervaren het examen als stressvol.

  • etenA1irregular

    at · aten · hebben gegeten

    to eat

    Wij eten meestal om zes uur.


    het eten

    food

    Nederlands eten is soms heel simpel.

  • evaluerenB2

    evalueerde · hebben geëvalueerd

    to evaluate

    Aan het eind evalueren we het project.

  • feliciterenB1

    feliciteerde · hebben gefeliciteerd

    to congratulate

    Ik wil je feliciteren met je nieuwe baan.

  • fietsenA1

    fietste · hebben/zijn gefietst

    to cycle

    Ik fiets elke dag naar school.

  • formulerenB2

    formuleerde · hebben geformuleerd

    to formulate, to phrase

    Probeer je vraag anders te formuleren.

  • fotograferenB1

    fotografeerde · hebben gefotografeerd

    to photograph

    Zij fotografeert graag oude gebouwen.

  • fronsenB2

    fronste · hebben gefronst

    to frown

    Zij fronste haar wenkbrauwen.

  • functionerenB1

    functioneerde · hebben gefunctioneerd

    to perform, to function

    Hij functioneert goed in het team.

  • fuserenB2

    fuseerde · zijn gefuseerd

    to merge

    De twee scholen gaan fuseren.

  • gaanA1irregular

    ging · gingen · zijn gegaan

    to go

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • gamenA2

    gamede · hebben gegamed

    to game, to play video games

    Mijn broer gamet elke avond tot laat.

  • gapenB2

    gaapte · hebben gegaapt

    to yawn

    Halverwege de lezing begon hij te gapen.

  • gebeurenA1

    gebeurde · zijn gebeurd

    to happen

    Wat is er gebeurd?