Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

223 words · page 3 of 9

  • doenA1irregular

    deed · deden · hebben gedaan

    to do

    Wat doe je in het weekend?

  • doorgaanB1separableirregular

    ging door · gingen door · zijn doorgegaan

    to go ahead, to take place; to continue

    Door de regen kan de markt vandaag niet doorgaan.

  • doorgevenB1separableirregular

    gaf door · gaven door · hebben doorgegeven

    to pass on

    Kun je dat aan je collega doorgeven?


    to report, to pass on (information)

    Geef een adreswijziging door aan de gemeente.

  • doorstaanB2irregular

    doorstond · doorstonden · hebben doorstaan

    to endure, to get through

    Hij heeft een zware periode doorstaan.

  • doorverbindenB1separableirregular

    verbond door · verbonden door · hebben doorverbonden

    to put through (a call)

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • doorverwijzenB1separableirregular

    verwees door · verwezen door · hebben doorverwezen

    to refer on

    De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.

  • doorvragenB2separableirregular

    vroeg door · vroegen door · hebben doorgevraagd

    to probe with follow-up questions

    Door goed door te vragen kwam de waarheid boven.

  • dragenA1irregular

    droeg · droegen · hebben gedragen

    to wear; to carry

    Hij draagt een zwarte jas.

  • drijvenB2irregular

    dreef · dreven · hebben/zijn gedreven

    to float; to drive (on)

    Er drijft een plastic fles op het water.

  • drinkenA1irregular

    dronk · dronken · hebben gedronken

    to drink

    Wat wil je drinken?

  • duikenB1irregular

    dook · doken · hebben/zijn gedoken

    to dive

    De jongens duiken van de brug in het water.

  • dwingenB1irregular

    dwong · dwongen · hebben gedwongen

    to force

    Niemand kan je dwingen om te stoppen met je studie.

  • eruitzienA2separableirregular

    zag eruit · zagen eruit · hebben eruitgezien

    to look (like), to appear

    Weet jij hoe de nieuwe buurman eruitziet?

  • ervarenA2irregular

    ervoer · ervoeren · hebben ervaren

    to experience

    Veel mensen ervaren het examen als stressvol.

  • etenA1irregular

    at · aten · hebben gegeten

    to eat

    Wij eten meestal om zes uur.


    het eten

    food

    Nederlands eten is soms heel simpel.

  • gaanA1irregular

    ging · gingen · zijn gegaan

    to go

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • zich gedragenB1reflexiveirregular

    gedroeg · gedroegen · hebben gedragen

    to behave

    De kinderen gedroegen zich keurig op het feest.

  • geldenA2irregular

    gold · golden · hebben gegolden

    to apply, to be valid

    Deze regel geldt voor iedereen.

  • genezenA2irregular

    genas · genazen · hebben/zijn genezen

    to heal, to cure

    De wond is goed genezen.

  • genietenA1irregular

    genoot · genoten · hebben genoten

    to enjoy

    Ik geniet van het rustige weekend.

  • gevenA1irregular

    gaf · gaven · hebben gegeven

    to give

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • grijpenB2irregular

    greep · grepen · hebben gegrepen

    to grab, to seize

    Hij greep snel zijn tas en rende naar de bus.

  • hangenA2irregular

    hing · hingen · hebben gehangen

    to hang

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hardlopenB1separableirregular

    liep hard · liepen hard · hebben hardgelopen

    to run, jogging

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • hebbenA1irregular

    had · hadden · hebben gehad

    to have

    Wij hebben twee kinderen.


    (perfect auxiliary: have/has)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.