Vocabulary
505 words · page 20 of 21
weinigA1
little, few
Ik heb weinig tijd.
welbespraaktB2
articulate
Hij is een welbespraakt spreker.
welsprekendB2
eloquent
Zij is een welsprekend spreker.
welwillendB2
well-disposed, benevolent
De directie stond welwillend tegenover het voorstel.
wereldwijdB1
worldwide
Het probleem van plastic is wereldwijd bekend.
werkloosB1
unemployed
Hij is sinds januari werkloos.
wetenschappelijkA2
scientific
Er is wetenschappelijk bewijs voor deze aanpak.
wettelijkB2
legal, statutory
Er is een wettelijk minimumloon in Nederland.
wijsB2
wise
Mijn grootvader was een wijze en rustige man.
wildB1
wild
In dit park leven wilde paarden.
witA1
white
De muren zijn wit geverfd.
zachtA1
soft
Dit kussen is lekker zacht.
quiet, soft (of sound)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
zekerA1
certain, sure
Weet je dat zeker?
zelfstandigB1
self-reliant, independent
Je moet in deze functie zelfstandig kunnen werken.
zenuwachtigA2
nervous
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
zichtbaarB1
visible
Draag in het donker een zichtbaar hesje op de fiets.
ziekA1
ill
Ik ben vandaag ziek.
zinloosB2
pointless
Verder discussiëren was zinloos.
zinvolB2
meaningful
Vrijwilligerswerk voelt zinvol.
zoetA2
sweet
Deze appel is heel zoet.
fresh (of water)
In de sloot staat zoet water, geen zeewater.
zogenaamdB2
so-called; supposedly
Hij was zogenaamd ziek, maar ging naar het strand.
zorgvuldigB2
careful, meticulous
Zij werkt langzaam maar zorgvuldig.
zorgwekkendB2
alarming
Zijn toestand is zorgwekkend.
het zoutA1
salt
Er zit te veel zout in.
salty
De soep is me veel te zout.
zuurA2
sour
De melk is zuur geworden.

