Vocabulary
19 words · page 1 of 1
zachtA1
soft
Dit kussen is lekker zacht.
quiet, soft (of sound)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
zekerA1
certain, sure
Weet je dat zeker?
zelfstandigB1
self-reliant, independent
Je moet in deze functie zelfstandig kunnen werken.
zenuwachtigA2
nervous
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
zichtbaarB1
visible
Draag in het donker een zichtbaar hesje op de fiets.
ziekA1
ill
Ik ben vandaag ziek.
zinloosB2
pointless
Verder discussiëren was zinloos.
zinvolB2
meaningful
Vrijwilligerswerk voelt zinvol.
zoetA2
sweet
Deze appel is heel zoet.
fresh (of water)
In de sloot staat zoet water, geen zeewater.
zogenaamdB2
so-called; supposedly
Hij was zogenaamd ziek, maar ging naar het strand.
zorgvuldigB2
careful, meticulous
Zij werkt langzaam maar zorgvuldig.
zorgwekkendB2
alarming
Zijn toestand is zorgwekkend.
het zoutA1
salt
Er zit te veel zout in.
salty
De soep is me veel te zout.
zuurA2
sour
De melk is zuur geworden.
zwaarA2
heavy; hard
Deze koffer is te zwaar voor het vliegtuig.
zwakA1
weak
Na de griep voelde ik me zwak.
zwangerA2
pregnant
Mijn zus is zeven maanden zwanger.
zwartA1
black
Hij heeft zwarte schoenen aan.
undeclared, off the books (of work)
Zwart werken kan een hoge boete opleveren.
zwijgzaamB2
taciturn
Zij is van nature nogal zwijgzaam.

