Vocabulary
45 words · page 2 of 2
afbouwenB2separable
bouwde af · hebben afgebouwd
to scale down
Hij bouwt zijn uren langzaam af.
afdingenB2separableirregular
dong af · dongen af · hebben afgedongen
to haggle
Op een markt mag je afdingen.
afleidenB2separable
leidde af · hebben afgeleid
to infer
Uit de tekst kun je afleiden dat hij twijfelt.
aflopenB1separableirregular
liep af · liepen af · zijn afgelopen
to end, to expire
Mijn paspoort gaat volgende maand aflopen.
aflossenB1separable
loste af · hebben afgelost
to pay off
We lossen de lening in tien jaar af.
zich afmeldenB1separablereflexive
meldde af · hebben afgemeld
to cancel one's registration
Vergeet niet je af te melden als je niet komt.
afrekenenA2separable
rekende af · hebben afgerekend
to pay (at the till)
Ik ga even afrekenen.
afsluitenB1separableirregular
sloot af · sloten af · hebben afgesloten
to conclude (a contract); to close off; to lock
Wij hebben een nieuwe zorgverzekering afgesloten.
afsprekenB1separableirregular
sprak af · spraken af · hebben afgesproken
to arrange, to agree
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
afstuderenB2separable
studeerde af · zijn afgestudeerd
to graduate
Zij hoopt in juni af te studeren.
zich afvragenB1separablereflexiveirregular
vroeg af · vroegen af · hebben afgevraagd
to wonder
Ik vraag me af of dat wel klopt.
afwassenA2separableirregular
waste af · wasten af · hebben afgewassen
to do the dishes
Wie wast er vanavond af?
afwijzenB1separableirregular
wees af · wezen af · hebben afgewezen
to reject
Mijn aanvraag is afgewezen.
afzeggenA2separableirregular
zei af · zeiden af · hebben afgezegd
to cancel (an appointment)
Ik moet de afspraak bij de tandarts afzeggen.
ambiërenB2
ambieerde · hebben geambieerd
to aspire to
Hij ambieert een leidinggevende functie.
analyserenB2
analyseerde · hebben geanalyseerd
to analyse
Analyseer de grafiek in drie zinnen.
antwoordenA2
antwoordde · hebben geantwoord
to answer
Hij antwoordde niet op mijn vraag.
appenA2
appte · hebben geappt
to message (by chat app)
Ik app je zodra ik op het station ben.
arresterenB2
arresteerde · hebben gearresteerd
to arrest
De politie heeft twee verdachten gearresteerd.
automatiserenB2
automatiseerde · hebben geautomatiseerd
to automate
Veel administratief werk is geautomatiseerd.

