Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

10 كلمة · صفحة 1 من 1

  • zeggenA1شاذّ

    zei · zeiden · hebben gezegd

    يقول

    Wat zei je?

  • zendenB2شاذّ

    zond · zonden · hebben gezonden

    يرسل؛ يبثّ

    De omroep zendt de wedstrijd live uit.

  • zienA1شاذّ

    zag · zagen · hebben gezien

    يرى

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1شاذّ

    was · waren · zijn geweest

    يكون

    Ik ben blij dat je er bent.


    ـه (ضمير ملكية للمذكر)

    Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

  • zingenA2شاذّ

    zong · zongen · hebben gezongen

    يغني

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zittenA1شاذّ

    zat · zaten · hebben gezeten

    يجلس

    Zij zit op de bank.


    يوجد، موجود (داخل شيء)

    De sleutels zitten in de zak van mijn jas.

  • zittenblijvenB2قابل للانفصالشاذّ

    bleef zitten · bleven zitten · zijn blijven zitten

    إعادة السنة

    Zittenblijven helpt niet altijd.

  • zoekenA1شاذّ

    zocht · zochten · hebben gezocht

    يبحث

    Ik zoek mijn sleutels.

  • zullenA1شاذّ

    zou · zouden

    سوف

    Zullen we koffie drinken?

  • zwemmenB1شاذّ

    zwom · zwommen · hebben/zijn gezwommen

    يسبح

    Ik ga twee keer per week zwemmen.