Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

4598 слов · страница 59 из 184

  • het groepswerkB2

    групповая работа

    Het groepswerk telt mee voor het cijfer.

  • de groetB1

    приветствие, привет

    Ik eindig mijn e-mail altijd met een vriendelijke groet.

  • de grondB1

    земля, почва

    De grond is nat na al die regen.

  • het grondgebiedB2

    территория (страны)

    Deze wet geldt op het hele grondgebied.

  • het grondrechtB2

    основное право

    Vrijheid van meningsuiting is een grondrecht.

  • de grondstofB2

    сырьё

    Deze grondstoffen worden schaarser.

  • het grondwaterB1

    грунтовые воды

    Het grondwater staat hier hoog.

  • de grondwetA2

    конституция

    Dat recht staat in de grondwet.

  • de grootmoederA2

    бабушка (офиц.)

    Mijn grootmoeder is geboren in een dorp in Friesland.

  • de grootteB1

    размер, величина

    Deze schoenen zijn er in elke grootte.

  • de grootvaderA2

    дедушка (офиц.)

    Mijn grootvader werkte vroeger als visser op zee.

  • de grotB2

    пещера

    De grot is alleen met gids toegankelijk.

  • de gunstB1

    одолжение, услуга

    Mag ik je om een kleine gunst vragen?

  • de gynaecoloogB2

    гинеколог

    De gynaecoloog begeleidt de zwangerschap.

  • de haaiB2

    акула

    In de Noordzee leven ook kleine haaien.

  • het haarA1

    волосы

    Zij heeft lang haar.


    её (притяжательное)

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • de haastA2

    спешка

    Ik heb haast, want mijn bus vertrekt zo.


    почти

    Het is haast onmogelijk om hier een parkeerplaats te vinden.

  • de haatB1

    ненависть

    Haat en geweld lossen geen enkel probleem op.

  • de hagelB2

    град

    De hagel beschadigde de gewassen.

  • de hagelslagA1

    шоколадная посыпка

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • de halA2

    прихожая, холл

    Zet je schoenen maar in de hal.

  • de halsB2

    шея, горло

    Hij had een sjaal om zijn hals.

  • de halteA2

    остановка

    De halte is om de hoek.

  • de hamA1

    ветчина

    Ik neem een boterham met ham.

  • de hamerB2

    молоток

    Sla de spijker met de hamer erin.