Словарь
153 слов · страница 3 из 7
jaA1
да
Ja, ik kom morgen graag naar je feest.
langsA2
вдоль; мимо
We fietsen langs de rivier naar het centrum.
maalB1
раз (умножение ×)
Drie maal vier is twaalf, dat weet elk kind.
maarA1
но
Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.
meerA1
больше
Ik heb meer tijd nodig.
het meer
озеро
In de zomer zwemmen we in het meer.
meerdereB1
несколько
Er zijn meerdere manieren om dit probleem op te lossen.
meesteA1
большинство
De meeste mensen komen met de fiets.
menB1
говорят, люди (безлич.)
Men zegt dat het morgen gaat sneeuwen.
metA1
с
Ik ga met de fiets.
miljardB1
миллиард
De overheid geeft miljarden uit aan de zorg.
miljoenA2
миллион
Nederland heeft bijna achttien miljoen inwoners.
mitsB2
при условии что
U mag ruilen, mits u de bon bewaart.
naA1
после
Na het eten gaan we wandelen.
naarA1
к, в (направление)
Ik ga naar mijn werk.
naastA1
рядом с
Hij zit naast mij.
nabijB2
вблизи (книжн.)
Het hotel ligt nabij het centraal station.
nadatB1
после того как
Nadat ik gegeten had, ging ik naar bed.
namensB1
от имени
Namens het hele team wens ik je veel succes.
neeA1
нет
Nee, dank je, ik hoef geen koffie meer.
negenA1
девять
Mijn zoon is negen jaar.
negentigA1
девяносто
Hij werd negentig jaar oud.
niemandA1
никто
Er is niemand thuis.
nietA1
не
Ik begrijp het niet.
nietsA1
ничего
Ik heb niets gezegd.
niksA2
ничего (разг.)
Ik heb vandaag nog niks gegeten.

