Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

634 слов · страница 18 из 26

  • snappenA2

    snapte · hebben gesnapt

    понимать (разг.)

    Ik snap niet wat de docent bedoelt.

  • snijdenA2неправильный

    sneed · sneden · hebben gesneden

    резать

    Snijd de groente in kleine stukjes.

  • snoeienB2

    snoeide · hebben gesnoeid

    подрезать, обрезать

    De struiken moeten gesnoeid worden.

  • solliciterenB1

    solliciteerde · hebben gesolliciteerd

    подавать заявление о приёме на работу

    Ik heb op drie vacatures gesolliciteerd.

  • sparenA2

    spaarde · hebben gespaard

    копить

    We sparen voor een nieuwe auto.

  • spelenA1

    speelde · hebben gespeeld

    играть

    De kinderen spelen in de tuin.


    происходить, разворачиваться (о действии)

    Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.

  • spijbelenB2

    spijbelde · hebben gespijbeld

    прогуливать

    Hij spijbelde twee weken lang.

  • sprekenA1неправильный

    sprak · spraken · hebben gesproken

    говорить

    Spreekt u Nederlands?

  • springenA1неправильный

    sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen

    прыгать

    Hij sprong over de sloot.

  • staanA1неправильный

    stond · stonden · hebben gestaan

    стоять

    De auto staat voor het huis.


    быть написанным, значиться

    In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

  • standaardiserenB2

    standaardiseerde · hebben gestandaardiseerd

    стандартизировать

    We willen de werkwijze standaardiseren.

  • stappenA2

    stapte · hebben/zijn gestapt

    шагать, ступать

    Hij stapte snel in de auto en reed weg.

  • starenB2

    staarde · hebben gestaard

    пристально смотреть

    Zij staarde uit het raam.

  • startenA2

    startte · hebben/zijn gestart

    заводить(ся), запускать

    Mijn auto wil vanochtend door de kou niet starten.

  • stekenB1неправильный

    stak · staken · hebben gestoken

    жалить; втыкать, засовывать

    Pas op, die bijen kunnen steken.

  • stelenA2неправильный

    stal · stalen · hebben gestolen

    красть

    Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.

  • stellenB1

    stelde · hebben gesteld

    ставить; задавать (вопрос)

    Mag ik u een paar vragen stellen?

  • stemmenA2

    stemde · hebben gestemd

    голосовать

    Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.

  • stervenB1неправильный

    stierf · stierven · zijn gestorven

    умирать

    Veel bomen sterven door de droge zomers.

  • steunenB1

    steunde · hebben gesteund

    поддерживать

    Mijn familie steunt mij in alles wat ik doe.

  • stijgenB1неправильный

    steeg · stegen · zijn gestegen

    подниматься, расти

    De prijzen van boodschappen stijgen elk jaar.

  • stofzuigenA2

    stofzuigde · hebben gestofzuigd

    пылесосить

    Ik stofzuig één keer per week.

  • stoppenA1

    stopte · hebben/zijn gestopt

    прекращать, останавливать

    Hij is gestopt met roken.

  • stovenB2

    stoofde · hebben gestoofd

    тушить

    Laat het vlees twee uur stoven.

  • strevenB2

    streefde · hebben gestreefd

    стремиться

    Wij streven naar een oplossing voor het eind van het jaar.