Словарь
505 слов · страница 13 из 21
openA1
открытый
De winkel is nog open.
openbaarA1
публичный, общественный
De vergadering is openbaar.
openhartigB2
откровенный
Hij sprak openhartig over zijn fouten.
opgeluchtA2
испытавший облегчение
Ik was opgelucht toen het voorbij was.
opgetogenB2
в восторге, ликующий
Zij was opgetogen over het nieuws.
opgewektA2
жизнерадостный
Ze is meestal heel opgewekt.
opgewondenB2
возбуждённый
De kinderen waren opgewonden over de reis.
oprechtB2
искренний
Zijn excuses klonken oprecht.
opvallendB2
бросающийся в глаза
Het is een opvallend gebouw.
opvliegendB2
вспыльчивый
Hij heeft een opvliegend karakter.
oranjeA1
оранжевый
Het Nederlands elftal speelt in oranje.
origineelB1
оригинальный
Wat een origineel cadeau, waar heb je dat gekocht?
oudA1
старый
Dit is een oud gebouw.
ouderwetsB2
старомодный
Het meubilair is wat ouderwets.
overigB2
остальной
De overige vragen bespreken we volgende week.
overweldigdB2
переполненный чувствами
Zij was overweldigd door alle reacties.
paarsA1
фиолетовый
De bloemen in de tuin zijn paars.
perfectA2
идеальный, безупречный
Je Nederlands is bijna perfect, heel goed gedaan!
persoonlijkB1
личный; лично
Ik wil de directeur graag persoonlijk spreken.
pijnlijkA2
болезненный
De behandeling is niet pijnlijk.
plaatselijkB2
местный (локальный)
De plaatselijke krant schreef over het nieuwe park.
plantaardigB2
растительный
Plantaardige melk staat naast gewone melk.
politiekA1
политика; политический
In de politiek gaat het vaak om compromissen.
populairB1
популярный
Fietsen is in Nederland erg populair.
positiefB1
позитивный, положительный
Probeer positief te blijven, ook als het moeilijk is.

