Словарь
8 слов · страница 1 из 1
tegensprekenB2отделяемыйнеправильный
sprak tegen · spraken tegen · hebben tegengesproken
противоречить
Die cijfers spreken elkaar tegen.
terugkomenA2отделяемыйнеправильный
kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen
возвращаться
Hij komt volgende week terug.
thuisblijvenA2отделяемыйнеправильный
bleef thuis · bleven thuis · zijn thuisgebleven
оставаться дома
Ik blijf vandaag thuis.
toegevenB1отделяемыйнеправильный
gaf toe · gaven toe · hebben toegegeven
признавать
Ze gaf toe dat ze fout zat.
уступать, поддаваться
Uiteindelijk gaf hij toe aan de druk van zijn collega's.
toestaanA2отделяемыйнеправильный
stond toe · stonden toe · hebben toegestaan
разрешать
Honden zijn hier niet toegestaan.
tredenB2неправильный
trad · traden · zijn getreden
вступать (в силу)
De nieuwe wet treedt op één januari in werking.
treffenB2неправильный
trof · troffen · hebben getroffen
поражать, затрагивать; встречать
De storm trof vooral het noorden van het land.
trekkenB1неправильный
trok · trokken · hebben/zijn getrokken
тянуть; перемещаться
Je moet de deur trekken, niet duwen.

