Словарь
12 слов · страница 1 из 1
tamelijkB2
довольно
Het antwoord was tamelijk vaag.
teA1
слишком
Deze jas is te duur voor mij.
частица перед инфинитивом (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
tegelijkertijdB1
в то же самое время
Ik kan niet koken en tegelijkertijd bellen.
tegenwoordigA2
в наши дни
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
tenminsteB1
по крайней мере, во всяком случае
Hij komt morgen, tenminste dat zegt hij.
terugA1
обратно, назад
Ik ben om zes uur terug.
tevensB2
также, одновременно
Zij is docent en tevens onderzoeker.
tevorenB1
заранее (van tevoren)
Bel even van tevoren als je later komt.
tochA1
всё же, всё-таки
Het was koud, maar we gingen toch.
toeB1
закрыт(о) (разг.)
Doe de deur even toe, het tocht hier.
toevalligA2
случайно
Ik zag mijn oude leraar toevallig in de supermarkt.
trouwensA2
кстати
Trouwens, heb je die brief al gelezen?

