Словарь
44 слов · страница 1 из 2
samenlevenB1отделяемый
leefde samen · hebben samengeleefd
сосуществовать, жить вместе
Samenleven met verschillende culturen vraagt inzet.
samenvattenB2отделяемый
vatte samen · hebben samengevat
кратко излагать
Kun je het kort samenvatten?
samenwerkenB1отделяемый
werkte samen · hebben samengewerkt
сотрудничать
We moeten beter samenwerken.
samenwonenB2отделяемый
woonde samen · hebben samengewoond
жить вместе
Zij gaan volgend jaar samenwonen.
schaatsenB2
schaatste · hebben/zijn geschaatst
катание на коньках
Bij vorst gaat iedereen schaatsen.
zich schamenB1возвратный
schaamde · hebben geschaamd
стыдиться
Hij schaamde zich voor zijn fout.
schattenB1
schatte · hebben geschat
оценивать (приблизительно)
Ik schat dat de reparatie tweehonderd euro kost.
scheidenA1неправильный
scheidde · scheidden · zijn gescheiden
разводиться
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2отделяемый
maakte schoon · hebben schoongemaakt
убирать
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA1неправильный
schreef · schreven · hebben geschreven
писать
Schrijf je naam op het formulier.
scorenA2
scoorde · hebben gescoord
забивать (гол), набирать (очки)
Hij scoorde in de laatste minuut het winnende doelpunt.
slaanB1неправильный
sloeg · sloegen · hebben geslagen
бить, ударять
Je mag een kind nooit slaan.
slagenB1
slaagde · zijn geslaagd
сдать (экзамен)
Zij is voor het examen geslaagd.
удаться, получиться
De operatie is helemaal geslaagd.
slapenA1неправильный
sliep · sliepen · hebben geslapen
спать
Ik heb slecht geslapen.
slikkenB2
slikte · hebben geslikt
сглатывать
Zij slikte even voordat ze antwoordde.
sluitenA1неправильный
sloot · sloten · hebben gesloten
закрывать
De deur sluit automatisch.
snappenA2
snapte · hebben gesnapt
понимать (разг.)
Ik snap niet wat de docent bedoelt.
snijdenA2неправильный
sneed · sneden · hebben gesneden
резать
Snijd de groente in kleine stukjes.
snoeienB2
snoeide · hebben gesnoeid
подрезать, обрезать
De struiken moeten gesnoeid worden.
solliciterenB1
solliciteerde · hebben gesolliciteerd
подавать заявление о приёме на работу
Ik heb op drie vacatures gesolliciteerd.
sparenA2
spaarde · hebben gespaard
копить
We sparen voor een nieuwe auto.
spelenA1
speelde · hebben gespeeld
играть
De kinderen spelen in de tuin.
происходить, разворачиваться (о действии)
Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.
spijbelenB2
spijbelde · hebben gespijbeld
прогуливать
Hij spijbelde twee weken lang.
sprekenA1неправильный
sprak · spraken · hebben gesproken
говорить
Spreekt u Nederlands?
springenA1неправильный
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
прыгать
Hij sprong over de sloot.

