Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

106 woorden · pagina 1 van 5

  • afA2

    finished, done

    Mijn huiswerk voor morgen is eindelijk af.

  • alA1

    already

    Ben je er nu al?

  • alleenA1

    alone; only

    Ik woon alleen.

  • altijdA1

    always

    Hij komt altijd te laat.

  • alweerA2

    again (already)

    Het regent alweer, de hele week al.

  • andersA2

    different(ly); otherwise

    Hij ziet er nu heel anders uit dan vroeger.

  • apartA1

    separate(ly)

    We betalen apart.

  • benedenA2

    downstairs, below

    De keuken is beneden en de slaapkamers zijn boven.

  • beterA1

    better

    Ik voel me vandaag al beter.

  • bijnaA1

    almost

    Ik ben bijna klaar.

  • bijvoorbeeldA1

    for example

    Neem bijvoorbeeld de bus van acht uur.

  • binnenA1

    inside; within

    Kom binnen, het is koud buiten.

  • binnenkortA2

    soon, shortly

    Binnenkort gaan we verhuizen naar een groter huis.

  • bovenA1

    above, upstairs

    De slaapkamers zijn boven.

  • bovendienA2

    moreover

    Het is duur en bovendien ver weg.

  • buitenA1

    outside

    De kinderen spelen buiten.

  • daarA1

    there

    Daar staat mijn fiets.

  • daarnaA1

    after that

    Eerst eten we, daarna gaan we wandelen.

  • daarnaastA2

    in addition

    Daarnaast volg ik een cursus.

  • daaromA1

    therefore

    Het regende, daarom bleef ik thuis.

  • dichtbijA1

    nearby

    De school is heel dichtbij.

  • dusA1

    so, therefore

    Het is laat, dus ik ga naar huis.

  • eensA2

    once; (softening particle)

    Kom eens langs als je tijd hebt.

  • eerderA2

    earlier; rather

    Kun je morgen iets eerder komen?

  • eergisterenA1

    the day before yesterday

    Eergisteren was ik bij de dokter.