Woordenschat
7809 woorden · pagina 97 van 313
de greepB1
grip, grab; handle
Met één greep pakte hij de tas van tafel.
de grensA2
border; limit
Bij de grens met Duitsland is geen controle meer.
de grenscontroleB2
border control
Bij de grenscontrole liet hij zijn paspoort zien.
de grensregioB2
border region
In de grensregio werken veel mensen over de grens.
grenzenB2
grensde · hebben gegrensd
to border (on)
Nederland grenst aan Duitsland en België.
gretigB2
eager, keen
De kinderen pakten gretig een stuk taart.
GrieksA2
Greek
We hebben gisteren bij een Grieks restaurant gegeten.
de griepA2
flu
Half kantoor heeft de griep.
de griepprikA2
flu jab
Ouderen krijgen elk jaar een griepprik.
de grijnsB2
grin
Met een brede grijns vertelde hij het nieuws.
grijnzenB2
grijnsde · hebben gegrijnsd
to grin
Hij grijnsde toen hij de verbaasde gezichten zag.
grijpenB1onregelmatig
greep · grepen · hebben gegrepen
to grab, to seize
Hij greep snel zijn tas en rende naar de bus.
grijsA1
grey
De lucht is vandaag grijs.
grinnikenB2
grinnikte · hebben gegrinnikt
to chuckle
Hij grinnikte om de grap van zijn collega.
de groeiB1
growth
De groei van de economie was dit jaar klein.
het groeicijferB2
growth figure
Het groeicijfer viel lager uit dan verwacht.
de groeicurveB2
growth chart
Zijn groeicurve loopt keurig mee.
groeienA2
groeide · zijn gegroeid
to grow
De tomaten groeien goed in de warme kas.
het groeiseizoenB2
growing season
Het groeiseizoen is door de warmte langer geworden.
de groeispurtB2
growth spurt
In de puberteit volgt een groeispurt.
groenA1
green
Het licht is groen, je mag gaan.
het groenafvalB2
green waste
Groenafval gaat in de groene bak.
het groengebiedB1
green area
Er komt een nieuw groengebied bij de wijk.
de groenstrookB1
green strip, verge
Langs de weg ligt een brede groenstrook.
de groenteA2
vegetables
Eet elke dag genoeg groente.

