Woordenschat
796 woorden · pagina 8 van 32
de familieA1
family
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
family visit
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
family member
Er komt een familielid op bezoek.
februariA1
February
In februari is het meestal koud.
het feestA1
party
Zaterdag is er een feest.
het feitA1
fact
Scheid feiten van meningen.
fietsenA1
fietste · hebben/zijn gefietst
to cycle
Ik fiets elke dag naar school.
de filmA1
film, movie
We kijken vanavond een film.
de flesA1
bottle
Er staat een fles wijn op tafel.
de fotoA1
photo
Dit is een foto van mijn familie.
de foutA1
mistake; wrong
Ik heb een fout gemaakt.
gaanA1onregelmatig
ging · gingen · zijn gegaan
to go
Ik ga morgen naar Amsterdam.
de gangA1
hallway
Zet je schoenen in de gang.
de garageA1
garage
De fiets staat in de garage.
gauwA1
soon
Tot gauw!
het gebakA1
pastry, cake
Bij de koffie was er gebak.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
to happen
Wat is er gebeurd?
geborenA1
born
Ik ben in 1990 in Syrië geboren.
het gebruikA1
use
Het gebruik van de app is gratis.
gebruikenA1
gebruikte · hebben gebruikt
to use
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geelA1
yellow
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
no, not a
Ik heb geen tijd.
het geldA1
money
Ik heb geen geld bij me.
geledenA1
ago
Ik ben drie jaar geleden naar Nederland gekomen.
gelijkA1
right; equal
Je hebt gelijk.

