Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

223 woorden · pagina 6 van 9

  • optredenA2scheidbaaronregelmatig

    trad op · traden op · hebben opgetreden

    to perform (on stage)

    De band treedt zaterdag op.


    het optreden

    performance

    Het optreden van de band duurde twee uur.

  • opvallenA2scheidbaaronregelmatig

    viel op · vielen op · zijn opgevallen

    to stand out, to strike one

    Het valt me op dat je beter spreekt.

  • opzeggenA2scheidbaaronregelmatig

    zei op · zeiden op · hebben opgezegd

    to terminate, to cancel

    Ik wil mijn contract opzeggen.

  • opzoekenA2scheidbaaronregelmatig

    zocht op · zochten op · hebben opgezocht

    to look up (in a source)

    Zoek het woord even op.


    to go and see, to visit (someone)

    Ik ga dit weekend mijn oma opzoeken.

  • overdrijvenB2onregelmatig

    overdreef · overdreven · hebben overdreven

    to exaggerate

    Hij overdrijft het probleem een beetje.

  • overlijdenB1onregelmatig

    overleed · overleden · zijn overleden

    to pass away, to die

    Zijn vader is vorig jaar in het ziekenhuis overleden.

  • overnemenB1scheidbaaronregelmatig

    nam over · namen over · hebben overgenomen

    to take over

    Kun jij mijn dienst morgen overnemen?

  • overstekenB1scheidbaaronregelmatig

    stak over · staken over · zijn overgestoken

    to cross (a road)

    Steek hier voorzichtig over.

  • plaatsvindenB1scheidbaaronregelmatig

    vond plaats · vonden plaats · hebben plaatsgevonden

    to take place

    De bijeenkomst vindt plaats in het buurthuis.

  • prijzenB2onregelmatig

    prees · prezen · hebben geprezen

    to praise

    De jury prees haar heldere betoog.

  • radenA1onregelmatig

    raadde · raadden · hebben geraden

    to guess

    Raad eens wie ik zag!

  • rijdenA2onregelmatig

    reed · reden · hebben/zijn gereden

    to drive, to ride

    Hij rijdt elke dag naar zijn werk.

  • roepenA1onregelmatig

    riep · riepen · hebben geroepen

    to call, to shout

    Roep me als je klaar bent.

  • ruikenA2onregelmatig

    rook · roken · hebben geroken

    to smell

    Het ruikt hier lekker.

  • scheidenA1onregelmatig

    scheidde · scheidden · zijn gescheiden

    to divorce

    Mijn ouders zijn gescheiden.

  • schrijvenA1onregelmatig

    schreef · schreven · hebben geschreven

    to write

    Schrijf je naam op het formulier.

  • slaanB1onregelmatig

    sloeg · sloegen · hebben geslagen

    to hit, to beat

    Je mag een kind nooit slaan.

  • slapenA1onregelmatig

    sliep · sliepen · hebben geslapen

    to sleep

    Ik heb slecht geslapen.

  • sluitenA1onregelmatig

    sloot · sloten · hebben gesloten

    to close

    De deur sluit automatisch.

  • snijdenA2onregelmatig

    sneed · sneden · hebben gesneden

    to cut

    Snijd de groente in kleine stukjes.

  • sprekenA1onregelmatig

    sprak · spraken · hebben gesproken

    to speak

    Spreekt u Nederlands?

  • springenA1onregelmatig

    sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen

    to jump

    Hij sprong over de sloot.

  • staanA1onregelmatig

    stond · stonden · hebben gestaan

    to stand

    De auto staat voor het huis.


    to say, to be written (in a text)

    In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

  • stekenB1onregelmatig

    stak · staken · hebben gestoken

    to sting; to stick, to put

    Pas op, die bijen kunnen steken.

  • stelenA2onregelmatig

    stal · stalen · hebben gestolen

    to steal

    Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.