Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

140 woorden · pagina 5 van 6

  • uitA1

    out of, from

    Ik kom uit Oekraïne.

  • vanA1

    of, from

    Dit is de fiets van mijn broer.

  • vanafA2

    from (on), starting

    Vanaf maandag werk ik vier dagen per week.

  • vanuitB1

    from (out of)

    Ik werk drie dagen per week vanuit huis.

  • vanwegeB1

    because of

    Vanwege de storm rijden er geen treinen.

  • veelA1

    much, many

    Er zijn veel mensen buiten.

  • veertigA1

    forty

    Hier mag je veertig rijden.

  • viaA2

    via, through

    Ik heb het nieuws via een vriendin gehoord.

  • vierA1

    four

    Wij wonen op nummer vier.

  • vierdeA1

    fourth

    Dit is mijn vierde les.

  • vijfA1

    five

    Het kost vijf euro.

  • vijfdeA1

    fifth

    Neem de vijfde straat links.

  • vijftigA1

    fifty

    Ik betaal met een briefje van vijftig.

  • volgensA2

    according to

    Volgens de dokter moet ik meer bewegen.

  • voorA1

    for; before

    Dit cadeau is voor jou.

  • voordatB1

    before (conjunction)

    Was je handen voordat je gaat eten.

  • waarA1

    where

    Waar woon je?

  • waaromA1

    why

    Waarom kom je niet?

  • wanneerA1

    when

    Wanneer begint de les?

  • wantA1

    because (coordinating)

    Ik blijf thuis, want ik ben ziek.

  • watA1

    what

    Wat doe je?

  • welkeA1

    which

    Welke bus moet ik nemen?

  • welkomA1

    welcome

    Welkom bij ons thuis!

  • wieA1

    who

    Wie is dat?

  • zelfA1

    self, oneself

    Dat heb ik zelf gemaakt.