Woordenschat
166 woorden · pagina 4 van 7
minderA1
less, fewer
Ik werk nu minder uren.
minstensA2
at least (minimum)
Je moet minstens een uur voor vertrek op het vliegveld zijn.
misschienA1
maybe
Misschien kom ik later.
momenteelB1
currently, at the moment
Momenteel werk ik vier dagen per week.
morgenA1
tomorrow
Morgen begin ik vroeg.
naartoeA2
to (a place), where to
Waar ga je in de zomervakantie naartoe?
namelijkA2
namely, you see
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
natuurlijkA1
natural; of course
Dit is een natuurlijk product.
nauwelijksB2
hardly
Er is nauwelijks tijd over.
neerB1
down
Hij liep de hele dag op en neer in de gang.
nergensA2
nowhere
Ik kan het nergens vinden.
netA1
just (a moment ago)
Hij is net weggegaan.
nogA1
still, yet
Ik ben nog niet klaar.
nogalB1
rather, quite (informal)
Het was nogal druk in de stad vandaag.
nogmaalsA1
once again
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nooitA1
never
Ik drink nooit alcohol.
nouA2
well (interjection)
Nou, dan zie ik je morgen wel.
nuA1
now
Ik heb nu geen tijd.
omhoogA2
up, upwards
Kijk eens omhoog, daar vliegt een ooievaar.
ondertussenB1
meanwhile
Ik kook, en jij dekt ondertussen de tafel.
onderwegA2
on the way
Ik ben al onderweg, over tien minuten ben ik er.
ongetwijfeldB2
undoubtedly
Dat wordt ongetwijfeld nog een discussie.
ongeveerA1
approximately
Het duurt ongeveer een uur.
onlineA2
online
Je kunt de kaartjes voor het concert ook online kopen.
onmiddellijkB1
immediately (formal)
Bel onmiddellijk 112 als je rook ziet.

