Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

796 woorden · pagina 31 van 32

  • de wetA1

    law

    Dat is bij wet verboden.

  • wetenA1onregelmatig

    wist · wisten · hebben geweten

    to know (a fact)

    Ik weet het niet.

  • wieA1

    who

    Wie is dat?

  • willenA1onregelmatig

    wilde · wilden · hebben gewild

    to want

    Ik wil graag koffie.

  • de winterA1

    winter

    De winter is hier nat en koud.

  • witA1

    white

    De muren zijn wit geverfd.

  • de woensdagA1

    Wednesday

    Woensdag zijn de kinderen vrij.

  • de wondA1

    wound

    Maak de wond eerst schoon.

  • wonenA1

    woonde · hebben gewoond

    to live, to reside

    Wij wonen in Utrecht.

  • de woonkamerA1

    living room

    De woonkamer is het grootst.

  • het woordA1

    word

    Ik ken dit woord nog niet.

  • wordenA1onregelmatig

    werd · werden · zijn geworden

    to become

    Hij wil dokter worden.


    (passive auxiliary: is/are being)

    De brief wordt morgen verstuurd.

  • de worstA1

    sausage

    Bij de slager kocht ik worst.

  • de wortelA1

    carrot

    Doe de wortels in de soep.


    root

    De wortel van deze boom komt door het tegelpad heen.

  • de yoghurtA1

    yoghurt

    Ik eet yoghurt bij het ontbijt.

  • zachtA1

    soft

    Dit kussen is lekker zacht.


    quiet, soft (of sound)

    Praat wat zachter, de kinderen slapen al.

  • de zakA1

    pocket; bag

    Mijn sleutels zitten in mijn zak.

  • de zaterdagA1

    Saturday

    Op zaterdag doe ik boodschappen.

  • de zeeA1

    sea

    De zee is vandaag onrustig.

  • de zeepA1

    soap

    Was je handen met zeep.

  • zeggenA1onregelmatig

    zei · zeiden · hebben gezegd

    to say

    Wat zei je?

  • zekerA1

    certain, sure

    Weet je dat zeker?

  • zelfA1

    self, oneself

    Dat heb ik zelf gemaakt.

  • zesA1

    six

    We eten om zes uur.

  • zestigA1

    sixty

    Mijn vader is zestig geworden.