Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

7085 woorden · pagina 224 van 284

  • het terreinB1

    grounds, site; field (of expertise)

    Op het terrein van de fabriek mag je niet roken.

  • terugA1

    back (returning)

    Ik ben om zes uur terug.

  • terugbellenB1scheidbaar

    belde terug · hebben teruggebeld

    to call back

    Kunt u mij vanmiddag terugbellen?

  • terugbetalenA2scheidbaar

    betaalde terug · hebben terugbetaald

    to pay back

    Ik betaal je volgende week terug.

  • terugbrengenA2scheidbaaronregelmatig

    bracht terug · brachten terug · hebben teruggebracht

    to bring back, to return

    Ik moet deze boeken nog terugbrengen naar de bibliotheek.

  • de teruggaafB2

    tax refund

    De teruggaaf staat over zes weken op je rekening.

  • terughoudendB2

    reserved, cautious

    De minister reageerde terughoudend.

  • de terugkeerB1

    return

    Na zijn terugkeer uit Syrië vond hij snel werk.

  • terugkerenB1scheidbaar

    keerde terug · zijn teruggekeerd

    to return (formal)

    Na de vakantie keerde hij terug naar Nederland.

  • terugkomenA2scheidbaaronregelmatig

    kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen

    to come back

    Hij komt volgende week terug.

  • de terugkoppelingB2

    feedback, response

    Wij geven binnen een week terugkoppeling.

  • de terugroepactieB2

    product recall

    De fabrikant startte een terugroepactie.

  • terugtrekkenB1scheidbaaronregelmatig

    trok terug · trokken terug · hebben teruggetrokken

    to withdraw, to pull back

    De partij trok zich terug uit de coalitie.

  • terugvindenB1scheidbaaronregelmatig

    vond terug · vonden terug · hebben teruggevonden

    to find again, to retrieve

    Ik kan mijn bril nergens meer terugvinden.

  • terwijlB1

    while; whereas

    Ik luister naar muziek terwijl ik kook.

  • terzijdeB1

    aside

    Zij legde de krant even terzijde om te luisteren.

  • de testA2

    test (medical, technical)

    De dokter doet een test om te zien wat je hebt.

  • het testamentB2

    will, testament

    Mijn opa heeft zijn testament bij de notaris laten maken.

  • testenA2

    testte · hebben getest

    to test

    De dokter wil je bloed nog een keer testen.

  • tevensB2

    at the same time, also

    Zij is docent en tevens onderzoeker.

  • tevoorschijnB2

    out, into view

    Hij haalde een pen tevoorschijn uit zijn tas.

  • tevorenB1

    beforehand (van tevoren)

    Bel even van tevoren als je later komt.

  • tevredenA2

    satisfied

    Zij is tevreden met het resultaat.

  • de tevredenheidB2

    satisfaction

    De tevredenheid onder werknemers is gestegen.

  • het theaterB1

    theatre

    In het theater draait een nieuw stuk.