Woordenschat
119 woorden · pagina 2 van 5
elkaarA1
each other
We helpen elkaar.
enA1
and
Ik neem brood en kaas.
geenA1
no, not a
Ik heb geen tijd.
goedemorgenA1
good morning
Goedemorgen, komt u binnen.
het haarA1
hair
Zij heeft lang haar.
her
Anna zoekt haar sleutels in haar tas.
halloA1
hello
Hallo, hoe gaat het?
hoeA1
how
Hoe gaat het met je?
hoelangA1
how long
Hoelang woon je al in Nederland?
hoeveelA1
how much, how many
Hoeveel kost dit?
hoewelA2
although
Hoewel het regende, gingen we toch.
hoiA1
hi
Hoi, hoe is het?
honderdA1
hundred
Dat kost ongeveer honderd euro.
iedereA1
every, each
Iedere maandag heb ik les.
iedereenA1
everyone
Iedereen is welkom.
iemandA1
someone
Er staat iemand voor de deur.
ietsA1
something
Wil je iets drinken?
inA1
in
Het zit in de kast.
jaA1
yes
Ja, ik kom morgen graag naar je feest.
langsA2
along; past
We fietsen langs de rivier naar het centrum.
maarA1
but
Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.
meerA1
more
Ik heb meer tijd nodig.
het meer
lake
In de zomer zwemmen we in het meer.
meesteA1
most
De meeste mensen komen met de fiets.
metA1
with
Ik ga met de fiets.
miljoenA2
million
Nederland heeft bijna achttien miljoen inwoners.
naA1
after
Na het eten gaan we wandelen.

