Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

5388 woorden · pagina 196 van 216

  • voorA1

    for; before

    Dit cadeau is voor jou.

  • vooralA1

    especially, mainly

    Ik oefen vooral spreken.

  • het voorbeeldA2

    example

    Kun je een voorbeeld geven?

  • voorbereidenA2scheidbaar

    bereidde voor · hebben voorbereid

    to prepare (something)

    We bereiden de vergadering samen voor.


    zich voorbereidenwederkerend

    to prepare oneself, to get ready

    Ik bereid me voor op het examen.

  • de voorbereidingB1

    preparation

    Een goede voorbereiding is de helft van het werk.

  • voorbijA2

    over, past

    De zomer is weer veel te snel voorbij.

  • voordatA2

    before (conjunction)

    Was je handen voordat je gaat eten.

  • het voordeelB1

    advantage, benefit

    Een voordeel van dit huis is de grote tuin.

  • de voordeurA1

    front door

    De voordeur zit op slot.

  • zich voordoenB2scheidbaarwederkerendonregelmatig

    deed voor · deden voor · hebben voorgedaan

    to arise, to occur (of a situation)

    Als zich een probleem voordoet, bel ons dan.

  • het voorgerechtA2

    starter

    Als voorgerecht nemen we soep.

  • voorkomenA1scheidbaaronregelmatig

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    to occur, to happen

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • voorkómenA2onregelmatig

    voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen

    to prevent

    Met een goede planning voorkom je veel stress.

  • voorlezenA2scheidbaaronregelmatig

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    to read aloud

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • de voorlichtingB1

    information, awareness-raising

    De gemeente geeft voorlichting over afvalscheiding.

  • voorlopigB1

    provisional; for the time being

    Voorlopig blijf ik bij mijn ouders wonen.

  • voormaligB1

    former

    De voormalige school is nu een buurthuis.

  • voornamelijkB1

    mainly, chiefly

    In deze wijk wonen voornamelijk jonge gezinnen met kinderen.

  • het voornemenB2

    resolution, intention

    Zijn goede voornemen hield twee weken stand.

  • het vooroordeelB2

    prejudice

    Vooroordelen verdwijnen niet vanzelf.

  • de voorraadA2

    stock

    We hebben het niet meer op voorraad.

  • het voorraadbeheerB2

    stock management

    Goed voorraadbeheer voorkomt verspilling.

  • de voorraadkastA2

    pantry

    Het meel staat in de voorraadkast.

  • de voorrangB1

    right of way

    Fietsers hebben hier voorrang.

  • de voorrangswegB2

    priority road

    Dit is een voorrangsweg, dus je moet wachten.