Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

4334 woorden · pagina 120 van 174

  • het schriftA2

    exercise book

    Schrijf de nieuwe woorden in je schrift.

  • het schriftelijkB1

    written

    Het examen bestaat uit een schriftelijk deel.

  • de schrijfsterB1

    writer, author (female)

    De schrijfster las een stuk uit haar nieuwe roman voor.

  • de schrijfstijlB1

    writing style

    Zijn schrijfstijl is helder en kort.

  • de schrijftaalB1

    written language

    Schrijftaal is formeler dan spreektaal.

  • de schrijfvaardigheidB1

    writing skill

    Schrijfvaardigheid oefen je door veel te schrijven.

  • schrijvenA1onregelmatig

    schreef · schreven · hebben geschreven

    to write

    Schrijf je naam op het formulier.

  • de schrijverA2

    writer, author

    Deze schrijver heeft al tien romans geschreven.

  • de schrikB1

    fright, shock

    Van de schrik liet zij het glas vallen.

  • schrikkenA2onregelmatig

    schrok · schrokken · zijn geschrokken

    to be startled, to get a fright

    Ik schrok van het harde geluid op straat.

  • schuddenA2

    schudde · hebben geschud

    to shake

    Schud de fles goed voor gebruik.

  • schuivenB1onregelmatig

    schoof · schoven · hebben/zijn geschoven

    to push, to slide, to shift

    Kun je de tafel een beetje naar links schuiven?

  • de schuldA2

    debt

    Hij heeft schulden bij de bank.


    fault, blame

    Het was mijn schuld dat we te laat waren.

  • de schuldeiserB1

    creditor

    De schuldeiser wil een betalingsregeling.

  • schuldigA2

    guilty

    De rechter achtte hem schuldig.

  • de schuurA1

    shed

    De fietsen staan in de schuur.

  • de scooterA2

    scooter

    Mijn broer rijdt elke dag met de scooter naar zijn werk.

  • scorenA2

    scoorde · hebben gescoord

    to score

    Hij scoorde in de laatste minuut het winnende doelpunt.

  • de secondeA1

    second (of time)

    Wacht één seconde.

  • de secretaresseB1

    secretary

    De secretaresse maakt een afspraak voor je met de directeur.

  • de sectorA2

    sector

    In deze sector is het tekort het grootst.

  • sedertB1

    since (formal)

    Sedert zijn ongeluk kan hij niet meer werken.

  • het seizoenA1

    season

    De herfst is mijn favoriete seizoen.

  • de seizoensgroenteB1

    seasonal vegetables

    Seizoensgroente is goedkoper en verser.

  • de seizoenswisselingB1

    change of seasons

    Bij de seizoenswisseling word ik vaak verkouden.