Woordenschat
4334 woorden · pagina 119 van 174
schilderenA2
schilderde · hebben geschilderd
to paint
In het weekend schilder ik graag landschappen.
het schilderijA2
painting
Het schilderij hangt in het Rijksmuseum.
de schimmelA2
mould
In de badkamer zit schimmel op de muur.
het schipA2
ship
Het schip vaart vanavond van Rotterdam naar Engeland.
schitterenB1
schitterde · hebben geschitterd
to sparkle, to shine; to excel
De zon schittert op het water van het meer.
schitterendB1
splendid, brilliant
Het was een schitterende dag aan het strand.
de schoenA1
shoe
Deze schoen past niet, hij is te klein.
de schoolA1
school
Mijn kinderen gaan hier naar school.
de schoolgidsA2
school guide
In de schoolgids staan alle regels.
het schooljaarA2
school year
Het nieuwe schooljaar begint eind augustus.
de schooltijdA2
school hours
Na schooltijd gaan de kinderen naar de opvang.
de schoolvakantieA2
school holiday
In de schoolvakantie zijn de lessen vrij.
schoonA1
clean
De keuken is weer schoon.
de schoondochterA1
daughter-in-law
Onze schoondochter komt uit Spanje.
de schoonheidB1
beauty
Ik geniet van de schoonheid van het landschap.
het schoonmaakmiddelA2
cleaning product
Dit schoonmaakmiddel werkt goed op tegels.
schoonmakenA2scheidbaar
maakte schoon · hebben schoongemaakt
to clean
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
de schoonmoederA1
mother-in-law
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
de schoonvaderA1
father-in-law
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
de schoonzoonA1
son-in-law
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
de schoonzusA1
sister-in-law
Mijn schoonzus komt uit Italië.
de schoorsteenA1
chimney
Uit de schoorsteen komt rook.
schoppenB1
schopte · hebben geschopt
to kick
Hij schopte de bal over het hek.
de schouderA1
shoulder
Mijn schouder doet pijn.
schreeuwenA2
schreeuwde · hebben geschreeuwd
to shout, to scream
Je hoeft niet te schreeuwen, ik hoor je wel.

