Woordenschat
86 woorden · pagina 1 van 4
de zaakB1
business, shop; matter
Mijn oom heeft een eigen zaak in het centrum.
zachtA1
soft
Dit kussen is lekker zacht.
quiet, soft (of sound)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
de zakA1
pocket; bag
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zakkenB1
zakte · zijn gezakt
to fail (an exam)
Hij is helaas gezakt voor het examen.
de zakken
bags, sacks (plural of zak)
Hij zet de zakken met oud papier bij de container.
de zalfA2
ointment
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
de zaterdagA1
Saturday
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
zebra crossing
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
sea
De zee is vandaag onrustig.
de zeepA1
soap
Was je handen met zeep.
zeerB1
very (formal)
De service in dit hotel was zeer goed.
zeggenA1onregelmatig
zei · zeiden · hebben gezegd
to say
Wat zei je?
zekerA1
certain, sure
Weet je dat zeker?
zeldenA2
rarely
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
self, oneself
Dat heb ik zelf gemaakt.
zelfsB1
even
Zelfs op zondag werkt hij in de winkel.
zelfstandigB1
self-reliant, independent
Je moet in deze functie zelfstandig kunnen werken.
de zelfstandigheidB1
independence
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
de zelfstudieB1
self-study
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
zenuwachtigA2
nervous
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
zesA1
six
We eten om zes uur.
zestigA1
sixty
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
zette · hebben gezet
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
seven
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
seventy
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zichtbaarB1
visible
Draag in het donker een zichtbaar hesje op de fiets.

