Woordenschat
10 woorden · pagina 1 van 1
zeggenA1onregelmatig
zei · zeiden · hebben gezegd
to say
Wat zei je?
zettenA1
zette · hebben gezet
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zich ziekmeldenA2scheidbaarwederkerend
meldde ziek · hebben ziekgemeld
to call in sick
Je moet je voor negen uur ziekmelden.
zienA1onregelmatig
zag · zagen · hebben gezien
to see
Ik zie je morgen.
zijnA1onregelmatig
was · waren · zijn geweest
to be
Ik ben blij dat je er bent.
his
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.
zingenA2onregelmatig
zong · zongen · hebben gezongen
to sing
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1onregelmatig
zat · zaten · hebben gezeten
to sit
Zij zit op de bank.
to be (in or inside something)
De sleutels zitten in de zak van mijn jas.
zoekenA1onregelmatig
zocht · zochten · hebben gezocht
to look for
Ik zoek mijn sleutels.
zorgenA2
zorgde · hebben gezorgd
to ensure; to care for
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zullenA1onregelmatig
zou · zouden
shall, will
Zullen we koffie drinken?

