Woordenschat
11 woorden · pagina 1 van 1
zachtA1
soft
Dit kussen is lekker zacht.
quiet, soft (of sound)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
zekerA1
certain, sure
Weet je dat zeker?
zenuwachtigA2
nervous
Ik ben zenuwachtig voor het examen.
ziekA1
ill
Ik ben vandaag ziek.
zoetA2
sweet
Deze appel is heel zoet.
fresh (of water)
In de sloot staat zoet water, geen zeewater.
het zoutA1
salt
Er zit te veel zout in.
salty
De soep is me veel te zout.
zuurA2
sour
De melk is zuur geworden.
zwaarA2
heavy; hard
Deze koffer is te zwaar voor het vliegtuig.
zwakA1
weak
Na de griep voelde ik me zwak.
zwangerA2
pregnant
Mijn zus is zeven maanden zwanger.
zwartA1
black
Hij heeft zwarte schoenen aan.
undeclared, off the books (of work)
Zwart werken kan een hoge boete opleveren.

