Woordenschat
3 woorden · pagina 1 van 1
voorbereidenA2scheidbaar
bereidde voor · hebben voorbereid
to prepare (something)
We bereiden de vergadering samen voor.
zich voorbereidenwederkerend
to prepare oneself, to get ready
Ik bereid me voor op het examen.
voorkomenA1scheidbaaronregelmatig
kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen
to occur, to happen
Dat probleem komt hier vaak voor.
voorlezenA2scheidbaaronregelmatig
las voor · lazen voor · hebben voorgelezen
to read aloud
Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

