Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

158 woorden · pagina 3 van 7

  • de telefoonA1

    phone

    Mijn telefoon is leeg.

  • het telefoongesprekB1

    phone call

    Na het telefoongesprek was alles duidelijk.

  • teleurgesteldA2

    disappointed

    Hij was teleurgesteld in het resultaat.

  • de televisieA1

    television

    De televisie staat de hele dag aan.

  • tellenA1

    telde · hebben geteld

    to count

    Kun je tot tien tellen in het Nederlands?


    to count, to be taken into account

    Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.

  • de temperatuurB1

    temperature

    De temperatuur daalt vannacht.

  • de temperatuurstijgingB1

    temperature rise

    De temperatuurstijging is duidelijk zichtbaar.

  • het tempoB1

    pace

    Het tempo van de cursus ligt hoog.

  • tenminsteB1

    at least (correction)

    Hij komt morgen, tenminste dat zegt hij.

  • de tentoonstellingB1

    exhibition

    In het museum is een nieuwe tentoonstelling.

  • terechtB1

    justified, rightly

    Je klacht is terecht, we lossen het meteen op.

  • de termijnB1

    instalment; term

    Je kunt in termijnen betalen.

  • het terrasB1

    terrace, outdoor seating

    Bij mooi weer zitten we op het terras.

  • terugA1

    back (returning)

    Ik ben om zes uur terug.

  • terugbellenB1scheidbaar

    belde terug · hebben teruggebeld

    to call back

    Kunt u mij vanmiddag terugbellen?

  • terugbetalenA2scheidbaar

    betaalde terug · hebben terugbetaald

    to pay back

    Ik betaal je volgende week terug.

  • terugkerenB1scheidbaar

    keerde terug · zijn teruggekeerd

    to return (formal)

    Na de vakantie keerde hij terug naar Nederland.

  • terugkomenA2scheidbaaronregelmatig

    kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen

    to come back

    Hij komt volgende week terug.

  • terwijlB1

    while; whereas

    Ik luister naar muziek terwijl ik kook.

  • de testA2

    test (medical, technical)

    De dokter doet een test om te zien wat je hebt.

  • testenA2

    testte · hebben getest

    to test

    De dokter wil je bloed nog een keer testen.

  • tevorenB1

    beforehand (van tevoren)

    Bel even van tevoren als je later komt.

  • tevredenA2

    satisfied

    Zij is tevreden met het resultaat.

  • het theaterB1

    theatre

    In het theater draait een nieuw stuk.

  • het theaterbezoekB1

    theatre visit

    Een theaterbezoek is best duur.