Woordenschat
Filters2
11 woorden · pagina 1 van 1
mailenA2
mailde · hebben gemaild
to email
Ik mail je de documenten vanavond.
makenA1
maakte · hebben gemaakt
to make
Zij maakt een taart voor het feest.
meedoenA2scheidbaaronregelmatig
deed mee · deden mee · hebben meegedaan
to join in
Doe je mee met de cursus?
meegaanA2scheidbaaronregelmatig
ging mee · gingen mee · zijn meegegaan
to go along, to come along
Mag ik met jullie meegaan naar het strand?
to last (of things)
Deze schoenen gaan al vijf jaar mee.
meemakenA2scheidbaar
maakte mee · hebben meegemaakt
to experience, to go through
Ik heb veel meegemaakt dit jaar.
meenemenA2scheidbaaronregelmatig
nam mee · namen mee · hebben meegenomen
to bring along
Neem je paspoort mee.
to take into account
We nemen jouw voorstel mee in het besluit.
meldenA1
meldde · hebben gemeld
to report, to notify
U moet een verhuizing melden bij de gemeente.
merkenA2
merkte · hebben gemerkt
to notice
Ik merk dat het beter gaat.
de merken
brands, makes (plural of merk)
In deze winkel verkopen ze alleen bekende merken.
missenA1
miste · hebben gemist
to miss
Ik heb de bus gemist.
moetenA1onregelmatig
moest · moesten · hebben gemoeten
must, to have to
Ik moet nu weg.
mogenA1onregelmatig
mocht · mochten · hebben gemogen
may, to be allowed to
Mag ik hier zitten?

