Woordenschat
122 woorden · pagina 2 van 5
de keerA1
time (occurrence)
Ik ga twee keer per week sporten.
de kelderA1
cellar, basement
De fietsen staan in de kelder.
kennenA1
kende · hebben gekend
to know (a person/thing)
Ken je die man?
de kennisA1
knowledge
Hij heeft veel kennis van computers.
acquaintance
Een kennis van mij werkt bij die school.
de kennistoetsB1
knowledge test
De kennistoets bestaat uit veertig vragen.
de kerkA1
church
De kerk staat op het plein.
de keukenA1
kitchen
De keuken is net schoongemaakt.
de keuzeA2
choice
Er is genoeg keuze.
kiezenA1onregelmatig
koos · kozen · hebben gekozen
to choose
Je moet zelf kiezen.
kijkenA1onregelmatig
keek · keken · hebben gekeken
to look, to watch
We kijken vanavond naar een film.
de kiloA1
kilo
Een kilo appels kost op de markt twee euro.
de kilometerB1
kilometre
Het is nog twintig kilometer rijden.
de kinA1
chin
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
het kindA1
child
Het kind speelt in de tuin.
de kinderbijslagA2
child benefit
Ouders krijgen elk kwartaal kinderbijslag.
de kipA1
chicken
Ik eet liever kip dan rundvlees.
klaarA1
ready, finished
Het eten is klaar.
klaarmakenA2scheidbaar
maakte klaar · hebben klaargemaakt
to prepare, to get ready
Ik maak het eten klaar.
de klachtB1
complaint, symptom
Vertel de arts precies wat uw klachten zijn.
de klachtbriefB1
letter of complaint
Ik heb een klachtbrief naar het bedrijf gestuurd.
het klachtenformulierB1
complaint form
Vul eerst het klachtenformulier in.
de klachtenprocedureB1
complaints procedure
Elke organisatie heeft een klachtenprocedure.
klagenB1
klaagde · hebben geklaagd
to complain
De buren klagen over het lawaai.
de klantA2
customer
De klant heeft altijd gelijk.
het klantcontactB1
customer contact
In deze functie heb je veel klantcontact.

