Woordenschat
Filters2
15 woorden · pagina 1 van 1
halenA1
haalde · hebben gehaald
to fetch, to get
Ik haal even brood.
hangenA2onregelmatig
hing · hingen · hebben gehangen
to hang
Er hangt een grote klok aan de muur.
hatenA1
haatte · hebben gehaat
to hate
Hij haat vergaderingen.
hebbenA1onregelmatig
had · hadden · hebben gehad
to have
Wij hebben twee kinderen.
(perfect auxiliary: have/has)
Ik heb de brief gisteren al geschreven.
helpenA1onregelmatig
hielp · hielpen · hebben geholpen
to help
Kun je me even helpen?
zich herinnerenA2wederkerend
herinnerde · hebben herinnerd
to remember
Ik herinner me haar naam niet meer.
herkennenA2
herkende · hebben herkend
to recognise
Ik herkende hem meteen.
hetenA1onregelmatig
heette · heetten · hebben geheten
to be called
Hoe heet jij?
hoestenA2
hoestte · hebben gehoest
to cough
Het kind hoest de hele nacht.
hoevenA2onregelmatig
hoefde · hoefden · hebben gehoeven
to have to (with niet/geen)
Je hoeft morgen niet naar school te komen.
hopenA1
hoopte · hebben gehoopt
to hope
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
hoorde · hebben gehoord
to hear
Ik hoor je niet goed.
to belong to, to be part of
Deze oefening hoort bij hoofdstuk drie.
houdenA1onregelmatig
hield · hielden · hebben gehouden
to hold; to like (van)
Ik houd van koffie.
huilenA1
huilde · hebben gehuild
to cry
De baby huilt de hele nacht.
hurenA2
huurde · hebben gehuurd
to rent
Wij huren een appartement van een woningcorporatie.

