Woordenschat
Filters2
13 woorden · pagina 1 van 1
gaanA1onregelmatig
ging · gingen · zijn gegaan
to go
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gamenA2
gamede · hebben gegamed
to game, to play video games
Mijn broer gamet elke avond tot laat.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
to happen
Wat is er gebeurd?
gebruikenA1
gebruikte · hebben gebruikt
to use
Mag ik je telefoon even gebruiken?
zich gedragenB1wederkerendonregelmatig
gedroeg · gedroegen · hebben gedragen
to behave
De kinderen gedroegen zich keurig op het feest.
geldenA2onregelmatig
gold · golden · hebben gegolden
to apply, to be valid
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
geloofde · hebben geloofd
to believe
Ik geloof je wel.
genezenA2onregelmatig
genas · genazen · hebben/zijn genezen
to heal, to cure
De wond is goed genezen.
genietenA1onregelmatig
genoot · genoten · hebben genoten
to enjoy
Ik geniet van het rustige weekend.
gevenA1onregelmatig
gaf · gaven · hebben gegeven
to give
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gooienA2
gooide · hebben gegooid
to throw
Gooi het papier in de blauwe container.
groeienA2
groeide · zijn gegroeid
to grow
De tomaten groeien goed in de warme kas.
groetenA2
groette · hebben gegroet
to greet
Groet je buren als je ze tegenkomt.

