Woordenschat
15 woorden · pagina 1 van 1
aanbiedenA2scheidbaaronregelmatig
bood aan · boden aan · hebben aangeboden
to offer
Zij bood aan om te helpen.
aandringenB1scheidbaaronregelmatig
drong aan · drongen aan · hebben aangedrongen
to insist
Hij bleef aandringen op een antwoord.
aangevenB1scheidbaaronregelmatig
gaf aan · gaven aan · hebben aangegeven
to indicate; to report
Geef op het formulier aan of u allergieën heeft.
aankomenA2scheidbaaronregelmatig
kwam aan · kwamen aan · zijn aangekomen
to arrive
Wij komen om acht uur aan.
to put on weight
Sinds de winter is hij vijf kilo aangekomen.
aannemenB1scheidbaaronregelmatig
nam aan · namen aan · hebben aangenomen
to hire; to accept; to assume
Het bedrijf neemt dit jaar tien nieuwe mensen aan.
to assume, to suppose
Ik neem aan dat je morgen ook komt.
aanradenB1scheidbaaronregelmatig
raadde aan · raadden aan · hebben aangeraden
to recommend
Ik raad je aan om vroeg te komen.
aansprekenB1scheidbaaronregelmatig
sprak aan · spraken aan · hebben aangesproken
to address, to speak to
Ik durfde hem er niet op aan te spreken.
aanvragenB1scheidbaaronregelmatig
vroeg aan · vroegen aan · hebben aangevraagd
to apply for
Je kunt de toeslag online aanvragen.
aflopenB1scheidbaaronregelmatig
liep af · liepen af · zijn afgelopen
to end, to expire
Mijn paspoort gaat volgende maand aflopen.
afsluitenB1scheidbaaronregelmatig
sloot af · sloten af · hebben afgesloten
to conclude (a contract); to close off; to lock
Wij hebben een nieuwe zorgverzekering afgesloten.
afsprekenB1scheidbaaronregelmatig
sprak af · spraken af · hebben afgesproken
to arrange, to agree
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
zich afvragenB1scheidbaarwederkerendonregelmatig
vroeg af · vroegen af · hebben afgevraagd
to wonder
Ik vraag me af of dat wel klopt.
afwassenA2scheidbaaronregelmatig
waste af · wasten af · hebben afgewassen
to do the dishes
Wie wast er vanavond af?
afwijzenB1scheidbaaronregelmatig
wees af · wezen af · hebben afgewezen
to reject
Mijn aanvraag is afgewezen.
afzeggenA2scheidbaaronregelmatig
zei af · zeiden af · hebben afgezegd
to cancel (an appointment)
Ik moet de afspraak bij de tandarts afzeggen.

