Vocabulario
459 palabras · página 12 de 19
de spotB2
burla
Hij dreef de spot met zijn eigen fouten.
de spraakB2
habla
Na de beroerte had hij problemen met zijn spraak.
het sprakeloosB2
sin palabras
Het nieuws maakte ons sprakeloos.
de spreekbeurtB1
exposición oral
Mijn dochter houdt morgen een spreekbeurt.
de spreekkamerB1
consulta (sala)
De dokter roept u zo in de spreekkamer.
de spreekstijlB2
estilo al hablar
Zijn spreekstijl is rustig en helder.
de spreektaalB1
lengua hablada
In spreektaal zeg je dat korter.
het spreektempoB1
velocidad al hablar
Zijn spreektempo ligt erg hoog.
het spreekuurA2
horas de consulta
Het spreekuur is van negen tot elf.
de spreekvaardigheidB1
expresión oral
Mijn spreekvaardigheid is zwakker dan mijn leesvaardigheid.
het spreekwoordB2
refrán
Dat is een bekend Nederlands spreekwoord.
de spreidingB2
diversificación
Spreiding verkleint je risico.
sprekenA1irregular
sprak · spraken · hebben gesproken
hablar
Spreekt u Nederlands?
springenA1irregular
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
saltar
Hij sprong over de sloot.
het springtijB2
marea viva
Bij springtij is het verschil het grootst.
de sproetenB2
pecas
In de zomer krijgt zij sproeten.
het sprookjeB2
cuento de hadas
Elk sprookje heeft een moraal.
de spullenA1
cosas
Neem je spullen mee.
het staafdiagramB2
gráfico de barras
Het staafdiagram vergelijkt vier jaren.
staanA1irregular
stond · stonden · hebben gestaan
estar de pie
De auto staat voor het huis.
poner, decir (en un texto)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
de staarB2
cataratas
Staar is goed te opereren.
de staatB1
estado
De staat betaalt een groot deel van het onderwijs.
het staatsbestelB2
sistema estatal
Het staatsbestel is in de grondwet vastgelegd.
de staatsburgerB2
ciudadano del Estado
Na naturalisatie ben je Nederlands staatsburger.
het staatshoofdB2
jefe de Estado
Het staatshoofd ondertekent de wetten.

