Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
201 palabras · página 4 de 9
leesopdrachtB1
tarea de lectura
Bij elke leesopdracht horen vijf vragen.
leestekenB2
signo de puntuación
De komma is het lastigste leesteken.
leestekstB1
texto de lectura
Elke leestekst heeft vier vragen.
leesvaardigheidB1
comprensión lectora
Mijn leesvaardigheid is beter dan mijn spreekvaardigheid.
leeszaalB2
sala de lectura
In de leeszaal moet je stil zijn.
legalisatieB2
legalización de documentos
Buitenlandse akten hebben legalisatie nodig.
legerB2
ejército
Het leger hielp bij de evacuatie.
legeringB2
aleación
Brons is een legering van koper en tin.
leggenA1
poner (acostado)
Leg het boek op tafel.
legitimatieB1
identificación
Bij de balie moet u legitimatie tonen.
leiderschapsstijlB2
estilo de liderazgo
Zijn leiderschapsstijl is vrij directief.
leidinggevendeB1
jefe
Bespreek dat met je leidinggevende.
leidingwerkB2
red de tuberías
Het leidingwerk zit weggewerkt in de muur.
lekkerA2
rico, agradable
Deze soep is heel lekker.
lelijkA1
feo
Dat gebouw vind ik lelijk.
lenenA2
prestar; pedir prestado
Kan ik tien euro van je lenen?
leningB1
préstamo
Hij sloot een lening af voor de auto.
lenteA1
primavera
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
cuchara
Ik eet soep met een lepel.
leraarA2
maestro
De leraar legt het nog een keer uit.
lerenA2
aprender; enseñar
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lesmateriaalA2
material didáctico
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
lesmethodeB1
método didáctico
Deze lesmethode werkt goed voor volwassenen.
lesroosterA2
horario de clases
Het lesrooster hangt bij de ingang.
lesuitvalB1
clases suspendidas
Door ziekte was er veel lesuitval.

