Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

119 words · page 1 of 5

  • aanA1

    on, at, to

    De foto hangt aan de muur.

  • achtA1

    eight

    Ik begin om acht uur.

  • achterA1

    behind

    De tuin ligt achter het huis.

  • allebeiA1

    both

    Wij werken allebei fulltime.

  • allemaalA1

    all (of them)

    We gaan allemaal mee.

  • allesA1

    everything

    Alles is klaar.

  • alsA1

    if, when

    Als het regent, blijven we binnen.

  • alsjeblieftA1

    please; here you are

    Hier is je koffie, alsjeblieft.

  • beideA2

    both (before a noun)

    Beide kinderen gaan naar dezelfde school.

  • bijA1

    at, near, with

    Ik ben bij de dokter.

  • de dagA1

    day

    Elke dag ga ik naar mijn werk.


    hello; bye

    Dag mevrouw, kan ik u helpen?

  • danA1

    then

    Eerst eten, dan afwassen.

  • dankjewelA1

    thank you

    Dankjewel voor je hulp.

  • datA1

    that (conjunction)

    Ik denk dat de trein vandaag later komt.

  • derdeA1

    third

    Hij werd derde in de wedstrijd.

  • dertigA1

    thirty

    Ik ben dertig jaar oud.

  • dezelfdeA2

    the same

    Wij hebben dezelfde leraar als vorig jaar.

  • doeiA1

    bye

    Doei, tot morgen!

  • doorA1

    through; by

    We liepen door het park.

  • drieA1

    three

    De les duurt drie uur.

  • duizendA1

    thousand

    Er kwamen duizend bezoekers.

  • éénA1

    one

    Ik heb maar één broer en twee zussen.

  • eersteA1

    first

    Dit is mijn eerste dag hier.

  • elfA1

    eleven

    De winkel sluit om elf uur.

  • elkA1

    each, every

    Elk kind krijgt een klein cadeautje van de juf.