Vocabulary
217 words · page 1 of 9
aanwezigA2
present
Je moet minstens 80% aanwezig zijn.
aardigA2
nice, kind
Mijn nieuwe collega's zijn erg aardig.
actiefA2
active
Mijn opa is met tachtig jaar nog heel actief.
afwezigA2
absent
Hij was vorige week afwezig.
alleenstaandA1
single
Zij is een alleenstaande moeder.
anderA1
other, different
Heb je een andere maat?
de armA1
arm
Mijn arm is stijf.
poor
Veel arme gezinnen krijgen hulp van de gemeente.
bangA2
afraid
Ik ben bang voor honden.
bekendA2
well-known, familiar
Deze zanger is in heel Nederland bekend.
belangrijkA1
important
Dit is een belangrijke brief.
beroemdA2
famous
Hij is een beroemde zanger in zijn eigen land.
beschikbaarA2
available
Er is nog één plaats beschikbaar.
betaalbaarA2
affordable
Een betaalbare woning is moeilijk te vinden.
bezetA1
occupied, taken
Deze plaats is bezet.
bezigA1
busy (doing something)
Ik ben nu even bezig.
bijzonderA2
special, remarkable
Het was een bijzondere dag voor onze familie.
biologischA2
organic
Deze groente is biologisch geteeld.
bitterA2
bitter
Zwarte koffie smaakt bitter.
blauwA1
blue
De lucht is vandaag blauw.
blijA1
happy, glad
Ik ben blij met het resultaat.
boosA2
angry
Hij was boos op zijn collega.
breedA1
wide
Dit is een brede straat.
bruinA1
brown
Ik eet liever bruin brood.
contantA2
cash
Wij nemen geen contant geld aan.
dichtA1
closed
Op zondag zijn de winkels dicht.

