Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

102 words · page 1 of 5

  • alleenstaandA1

    single

    Zij is een alleenstaande moeder.

  • anderA1

    other, different

    Heb je een andere maat?

  • de armA1

    arm

    Mijn arm is stijf.


    poor

    Veel arme gezinnen krijgen hulp van de gemeente.

  • belangrijkA1

    important

    Dit is een belangrijke brief.

  • bezetA1

    occupied, taken

    Deze plaats is bezet.

  • bezigA1

    busy (doing something)

    Ik ben nu even bezig.

  • blauwA1

    blue

    De lucht is vandaag blauw.

  • blijA1

    happy, glad

    Ik ben blij met het resultaat.

  • breedA1

    wide

    Dit is een brede straat.

  • bruinA1

    brown

    Ik eet liever bruin brood.

  • dichtA1

    closed

    Op zondag zijn de winkels dicht.

  • dikA1

    thick, fat

    Trek een dikke jas aan.

  • directA1

    direct, blunt

    Nederlanders zijn vaak heel direct.

  • donkerA1

    dark

    In de winter is het om vijf uur al donker.

  • droogA1

    dry

    De was is nog niet droog.

  • drukA1

    busy, crowded

    Het is druk in de stad.

  • duidelijkA1

    clear

    Is het nu duidelijk?

  • dunA1

    thin

    Snijd het brood dun.

  • echtA1

    real, really

    Is dat echt waar?

  • de enkelA1

    ankle

    Ik heb mijn enkel verzwikt.


    single, any; only

    Er is geen enkele reden om je zorgen te maken.

  • geborenA1

    born

    Ik ben in 1990 in Syrië geboren.

  • geelA1

    yellow

    De bloemen in de tuin zijn geel.

  • gelijkA1

    right; equal

    Je hebt gelijk.

  • gelukkigA1

    happy; fortunately

    Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.

  • getrouwdA1

    married

    Zij is al tien jaar getrouwd.