Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

2767 words · page 9 of 111

  • bekijkenA2irregular

    bekeek · bekeken · hebben bekeken

    to look at, to view

    Wil je de foto's van de vakantie bekijken?

  • bekwaamB1

    competent, skilled

    Zij is heel bekwaam in haar vak.

  • de belA1

    doorbell

    De bel doet het niet.

  • belachelijkB1

    ridiculous

    Wat een belachelijk hoge prijs voor een kop koffie!

  • het belangB1

    importance; interest

    Hij begrijpt het belang van een goede opleiding.

  • belangrijkA1

    important

    Dit is een belangrijke brief.

  • de belastingA2

    tax

    Je moet elk jaar belasting aangeven.

  • de belastingaangifteB1

    tax return

    De belastingaangifte moet voor 1 mei binnen zijn.

  • de belastingdienstA2

    tax authority

    De belastingdienst stuurt in maart een brief.

  • de belastingteruggaveB1

    tax refund

    Ik kreeg een belastingteruggave van 400 euro.

  • beleefdB1

    polite

    Hij antwoordde kort maar beleefd.

  • de beleefdheidsvormB1

    polite form

    Gebruik in formele brieven een beleefdheidsvorm.

  • het beleidA2

    policy

    Het beleid van de gemeente is veranderd.

  • belevenA2

    beleefde · hebben beleefd

    to live through, to experience

    Iedereen beleeft zo'n dag anders.

  • bellenA1

    belde · hebben gebeld

    to call (on the phone)

    Ik bel je vanavond na het eten.

  • belovenB1

    beloofde · hebben beloofd

    to promise

    Hij beloofde het morgen af te maken.

  • benaderenB1

    benaderde · hebben benaderd

    to approach, to contact

    U kunt ons per e-mail benaderen.

  • benedenA2

    downstairs, below

    De keuken is beneden en de slaapkamers zijn boven.

  • benieuwdB1

    curious (to know)

    Ik ben benieuwd naar de uitslag van het examen.

  • de benzineA2

    petrol

    De benzine is weer duurder geworden.

  • de beoordelingB1

    assessment, appraisal

    De beoordeling van mijn werk was positief.

  • het beoordelingsgesprekB1

    appraisal meeting

    Het beoordelingsgesprek is in december.

  • bepalenA1

    bepaalde · hebben bepaald

    to determine, to decide

    Jij mag bepalen waar we eten.

  • bereidenA2

    bereidde · hebben bereid

    to prepare (food)

    Dit gerecht is makkelijk te bereiden.

  • de bereidingstijdA2

    preparation time

    De bereidingstijd is twintig minuten.